Press "Enter" to skip to content

De crypte van Rome

De goede herder, Romeinse catacombe, 3e eeuw

We dalen af. Even buiten de oude stadsmuren van Rome, onder het open veld, gaan we trede voor trede een oude grafkelder in tot zo’n 8 meter onder de grond. Tientallen kilometers aan nauwe gangen vertakken zich. Een donker doolhof waarin mogelijk vier miljoen christenen begraven liggen. We zijn in de catacomben.

Normaal gesproken werden de Romeinen, zeker als ze niet rijk waren, gecremeerd na het overlijden. Speciale begraafplaatsen, columbaria – urnenmuren, letterlijk ‘duiventil’, waren ingericht voor alle overledenen, ongeacht afkomst of religie. Maar voor de eerste christenen paste cremeren niet bij de gedachte aan de jongste dag, wanneer de doden opstaan om Christus tegemoet te gaan. Daarom zochten zij een eigen exclusieve begraafplaats waar hun doden begraven konden worden. Een plek die niet besmet was met heidense praktijken.

En zo begonnen ze te graven. Beginnend bij een oude steengroeve of een verlaten heidense grafkamer, baande men een weg door het zachte poreuze tufsteen. Steeds verder ging het. Een gangennetwerk van meer dan 100 km. In de gangwanden werden smalle spleten geboord, zogeheten loculi, waarin de lichamen werden geschoven, afgedekt met een laag kalk. Het is hier waar ook de lichamen van Paulus en de apostel Petrus verborgen werden, in de catacomben van San Sebastian. Inscripties duiden erop dat beiden gelijkwaardig vereerd werden door de eerste christenen in Rome. Uit niets bleek dat de één belangrijker was dan de ander. Iets wat enkele eeuwen later zou veranderen.

Het zijn deze grafkelders waar de eerste christelijke symbolen verschijnen. Symbolen van hoop en verlossing. De vis, het Chi-Rho monogram duidend op de eerste letters van Christus, het anker van hoop en ook afbeeldingen van de Goede Herder. Het is hier op de plek van inkeer waar de eerste christelijke kunst ontstaat.

En waar de eerste christenen in hun begrafenisrituelen niet geassocieerd wilden worden met de heidenen, zo is ook de eerste christelijke kunst een uiting van niet-gelijkvormigheid met de buitenwereld. Waar de Romeinen volop afbeeldingen maakten van hun goden, daar waren de christenen afkerig om hun god af te beelden. Ook Christus zelf werd niet afgebeeld. Immers, de incarnatie van God in Christus, maakte het lastig om een beeltenis van hem te maken. Het tweede gebod uit de decaloog was helder. In symbooltaal werd er daarom visueel gesproken.
Zo was de goede herder een bekend beeld in de klassieke Romeinse wereld die welwillendheid en goedheid symboliseerde. In de context van de catacomben, kreeg het beeld echter een andere betekenis. “Ik ben de goede Herder die zijn leven geeft voor zijn schapen”.

Veel middeleeuwse kerken hebben een crypte, een grafkelder, onder het koor. De gelovige daalde daarin af om bij het graf van een heilige tot inkeer te komen. De vroege christenen daalden af in de catacomben, het dodenrijk onder de stad Rome. En waar de middeleeuwse gelovige gelouterd weer de crypte verliet, zo stegen ook de vroege christenen weer op uit de catacomben in het besef dat de dood niet het laatste woord heeft.